Vakmanschap | 1984

VAKMANSCHAP

Het gebeurt wel eens dat je iets bijzonders ontdekt. Je neemt iets waar en vervolgens grijpt het je vast. Eerst weet je niet wat je overkomt. Daarna ga je redenen zoeken waarom je er mee bezig blijft. Na verloop van tijd houdt het op En dan ineens is het er weer.

Het Nederrijnse stadje Xanten is een merkwaardig residu van verschillende soorten verleden. Echt mooi is het niet maar er is een merkwaarcliqe sfeer, wat rommelig – onduidelijk.

In de Dom met een oeroude geschiedenis raak je wat verstoord als je merkt dat de pilaren van beton zijn.
Zo’n oorlog met zelfs cultuurbombardementen is toch wel iets bijzonder vreemds. (Oorlog bevat veel technologie trouwens, hoe komt die toch altijd weer allemaal in handen van over-energieke, minstens licht gestoorde “verdedigers”) Bij flink wat regen buiten dwaal je slaperig door zo’n kerk. En dan ineens , dan gebeurt het. Een tamelijk gaaf Maria altaar trekt je aandacht. Je gaat ernaar toe, kijkt, en dan zie je in het onderste deel, dat wat ze predella noemen, iets wat je niet meer loslaat. Je kijkt en gaat weg en komt terug: er is ‘iets’ binnengekomen door je oog in je hoofd. Over het algemeen is houtsnijwerk wel prachtig en knap maar eigenlijk bij nader beschouwen toch ook een soort breiwerk. Een soort aandacht uit een ver verleden. ‘n gegeven binnen een kader wat wel te achterhalen is, maar niet iets wat ons, althans mij, vrij lang kan boeien. Zo niet deze predella, waarin achter glazen raampjes een wirwar van takken is te onderscheiden. Na wat kijken blijkt het een stamboom uit te beelden: de hoorn van Jesse. Een gegeven dat eigenlijk uit de schilderskunst stamt. Het is onvoorstelbaar knap en geraffineerd in lagen achter elkaar opgebouwd. Maar toch, dat knappe en geraffineerde hoorde bij die tijd. Er is iets meer. Na lang kijken en wat praten valt het op dat er eigenlijk geen symmetrie in het verschijningsbeeld zit. Of er is wel symmetrie, maar die is verstoord. De rechterhelft lijkt lichtelijk verwelkt. Niet helemaal duidelijk is of de predella van dezelfde maker is als het altaar met allerlei figuren. Vast staat dat twee mensen eraan gewerkt hebben,
Heinrich Douvermann en Arnold van Tricht beiden uit Kalkar, zo rond 1535. Zo’n namen en zo’n jaar geeft wat houvast bij de onuitspreekbaarheid die daar honderden jaren geleden ontstaan is. Waardoor ik zo geraakt ben. Me bewust wordt van hun en mijn vergankelijkheid. Ook het werk zal niet eeuwig zijn; daavoor is de tijd te lang en de aarde te onrustig zowel op de oppervlakte als binnenin.

Afgezien van de iconografische betekenis van de voorstelling, de verwijzing naar oudtestamentische tijd: Er trilt daar iets. Iets aktueels, wat een nu levend mens kan voelen of zien. Een fluistering, onverstaanbaar, maar heel indringend. Niet warm, ondanks de rijke vorm. Een vermoeden van abstracties in de toekomst? Het ontstaan van bewustzijn, visie, beeld? De nederrijnse versie van de geest van de Renaissance? Een voorbode van de Verlichting, het rationalisme.
Kan zo’n houtsnijwerk dat allemaal bevatten?
Of zit het er pas in als ik het zie, het wil zien? Of is de waarnemer ook een “maker”. Of is de maker, verlengd in de tijd zich bewust van zijn beschouwer? Wat voor soort bewustzijn is dat dan dat niet direkt woorden oplevert, maar een beeld, een fixatie. Soms zelfs een oerbeeld,een archetype. Vanuit een positie die het onmogelijk maakt dat dat nog ooit op zo’n manier tot stand komt. Uniek en eenmalig vanuit het houtsnijwerkvakmanschap gebonden aan tijd en traditie toch losgebroken: broos,en kwetsbaar en berichtend.

Ontstaan er nu óók dingen met zulke zeggingskracht? Nu dit soort materiele kennis allang verdwenen is. En vervangen door een totaal andere meer verbokkelde kennis. Tenminste individueel gezien. Zodanig verspreid over mensen dat zelfs binnen één vakgebied soms babylonische toestanden heersen.
Later buiten de kerk koop ik in een winkel een warm hemd en ik realiseer me dat, terwijl het mijn lichaam verwarmd, het in zijn onderdelen de halve wereld heeft bereisd om hier voor mij betaalbaar in de winkel te liggen. Ik stap in mijn comfortabele, van benzine voorziene, huisje waarmee ik op de weg kan wonen, en ik glijd in een complexe maar handelbare struktuur in de richting van Kalkar en ik weet dat het altaar met z’n wonderlijke predella op heel andere wijze in Xanten is gekomen. Bij Kalkar bedenk ik ineens dat het voor heel wat mensen een beladen naam is en ik zoek naar het gebouw: de snelle kweekreactor. Ik word geleid door muuschilderingen, waarvan sommigen mij proberen angst aan te jagen. Tussen boerderijen door (hoe gewoon) kom ik bij het gebouw: een modern fort met wat prikkeldraad. Het is al avond, maar ik weet dat ik de volgende keer een bezoek zal brengen aan dit natrium, plutonium uranium vakmanschap. Oók religieus beladen. In ieder geval knap, maar zeker gevaarlijk. En ik vraag me af of dit vakmanschap, deze verfijnd materiele, bijna spirituele kennis, even hoog is als waarmee Hendrik Douvermann in 1534 de voorkant van zijn ijzeren beitel met lichte tikjes door het hout dreef.

25 oktober 1984

Tekst over vakmanschap in schetsboek s1984032